Een psychose kan ingrijpend en verwarrend zijn. Wat iemand meemaakt, laat zich vaak niet eenvoudig vatten in gewone woorden. Gedachten, waarnemingen en betekenissen kunnen verschuiven, waardoor de verhouding tot jezelf, tot anderen en tot de werkelijkheid minder vanzelfsprekend wordt.
Dat kan gepaard gaan met angst, hallucinaties, wanen, achterdocht, ontregeling of het gevoel overspoeld te raken door iets waar je geen vat op krijgt. Wat zich aandient, kan tegelijk heel echt aanvoelen en moeilijk te delen zijn met anderen.
In therapie kijken we niet alleen naar symptomen op zich, maar ook naar hoe iemand zich verhoudt tot wat er gebeurt. Niet om alles meteen te verklaren of te corrigeren, maar om te zoeken naar houvast, stabiliteit en een manier om met deze ervaringen om te gaan die minder overweldigend is.
Psychose als een andere verhouding tot taal en de ander
Vanuit een psychoanalytische invalshoek wordt psychose niet herleid tot louter symptomen, maar begrepen als een specifieke manier waarop iemands verhouding tot taal, betekenis en de ander is georganiseerd.
Daarbij kunnen existentiële vragen zich op een indringende manier opdringen: rond identiteit (wie ben ik), de Ander (wat wordt er van mij verwacht) en het lichaam of genot (wat gebeurt er met mij). Zulke vragen hebben niet altijd een vanzelfsprekend kader, waardoor ervaringen intens, verwarrend of ontregelend kunnen worden.
Psychose wordt dan niet gezien als een louter tekort, maar als een andere organisatie van subjectiviteit. Ook stabiliteit is mogelijk, al ziet die er niet noodzakelijk hetzelfde uit als in andere psychische structuren.
Hallucinaties, wanen en overweldigende ervaringen
Hallucinaties en wanen zijn niet zomaar losstaande fenomenen. Ze kunnen begrepen worden als pogingen om betekenis te geven aan iets dat zich op een indringende manier opdringt. Soms gaat het om woorden, stemmen, blikken of gebeurtenissen die niet langer kunnen worden ingepast in een vertrouwd verband.
Bij sommige vormen van psychose komt ook een overweldigend gevoel van vreemdheid naar voren: alsof iets van buitenaf binnendringt, alsof de ander te veel weet, te veel ziet, of te veel invloed heeft. Wat zich opdringt kan dan een bijzonder ontregelend effect hebben.
Daarom is het belangrijk om niet alleen te kijken naar wát iemand meemaakt, maar ook naar de logica en de ervaring ervan: wat keert terug, wat ontregelt, en wat biedt eventueel toch nog enige houvast?
Therapie, spreken en houvast vinden
Therapie bij psychose is niet gericht op het forceren van inzicht of op het onmiddellijk wegwerken van alles wat vreemd of beangstigend is. Belangrijker is dat er een plek ontstaat waar iemand kan spreken over wat hij of zij meemaakt, op een tempo dat draaglijk blijft.
Dat spreken hoeft niet meteen volledig helder of samenhangend te zijn. Juist in de manier waarop iemand vertelt, stokt, herhaalt of bepaalde woorden gebruikt, kan zichtbaar worden waar iets op scherp staat en waar eventueel een begin van ordening mogelijk is.
De inzet van therapie is dan ook vaak bescheidener en concreter dan men soms verwacht: helpen om met de effecten van ontregeling om te gaan, mee zoeken naar wat stabiliseert, en ruimte maken voor een vorm van spreken die minder overspoeld raakt door wat zich opdringt.
Herstel betekent daarbij niet noodzakelijk dat alles verdwijnt of volledig verklaard raakt. Het kan ook betekenen dat er een werkbare verhouding ontstaat tot wat zich aandient, en dat iemand opnieuw iets van een eigen plaats, ritme of houvast kan vinden.
Wanneer aanmelden?
Therapie kan zinvol zijn wanneer je zelf een psychose hebt doorgemaakt, wanneer je last hebt van hallucinaties, wanen, achterdocht of intense verwarring, of wanneer je voelt dat je beleving van jezelf en de wereld minder stabiel is geworden.
Ook na een acute periode kan gesprekstherapie helpend zijn: om stil te staan bij wat er gebeurd is, om te zoeken naar woorden voor de ervaring, en om opnieuw meer houvast te vinden in het dagelijks leven.